Om de gebruikerservaring van deze site te verbeteren gebruikt deze website cookies. Ik ga akkoord Ik ga niet akkoord
Fundamenten

Tekst en foto's: Els Matthysen

Eeuwelingen blikken terug: 100-jarige Marie over sociaal wonen

 

Honderdjarige Marie blikt terug op een mooie periode uit haar leven: toen ze in haar sociale woning woonde

Marie is 100 en woonde 17 jaar lang in een sociale woonwijk. Zij sluit de rubriek 'Eeuwelingen' af met haar bijzonder levensverhaal: "De mooiste periode uit mijn leven was toen ik als gepensioneerde in mijn sociale woning woonde. Het contact met de buren was fantastisch. In de zomer zaten we alle namiddagen samen."

Honderd jaar sociaal wonen en deze rubriek eeuwelingen, verhalen van honderdjarigen over (sociaal) wonen, sluiten we graag af met Marie die tot haar 1OOste in een sociale woning woonde. Sinds kort woont ze in een rust- en verzorgingstehuis (RVT) in Herent bij Leuven. Ik vraag Felix, de neef van Marie, of we zijn tante mogen interviewen. “Verras ze maar in het rusthuis, dat zal ze fijn vinden.” Marie woonde 17 jaar in een sociale woonwijk. De onderonsjes, samen met de buren in de achtertuin, die mist ze het meeste. Sinds ze naar een RVT verhuisde, komen haar buren uit de sociale woonwijk nog regelmatig op bezoek. In haar kamer hangen enkele foto’s van haar man Georges en foto’s van busreizen die ze samen maakten.

 Marie's sociale woning in de Wijgmaalse Vaartdijk 

'De mooiste periode uit mijn leven was toen ik als gepensioneerde in mijn sociale woning woonde'

Sinds februari woont Marie in “Bethlehem”, een rust- en verzorgingstehuis, kortweg RVT, in Leuven. Ze woonde nog geen week op haar nieuwe plek toen ze met alle medebewoners en vroegere buren haar 101ste verjaardag kon vieren. Wat haar deed beslissen om naar een RVT te verhuizen? Angst om te vallen en angst om ’s nachts alleen te zijn.

Hoe het begon: 17 februari 1918
Marie is de enige dochter uit een gezin van vijf kinderen. Haar vader werkte in de stijfselfabriek “Remy” (in die tijd bekend als maalderij en rijstpellerij, red.) aan de Leuvense vaart. Ze groeide op in Wijgmaal waar ze woonde tot ze trouwde. ‘Ik was maar 17 jaar toen ik in 1935 mijn man Georges op de kermis leerde kennen. Ik heb nooit een andere man gehad. In 1941 trouwden we.

1941 - Marie met haar man Georges

Ik was 24 jaar. We waren nog maar pas getrouwd toen Georges werd opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Enkele maanden later werd ik ook opgeroepen. In een “beestenwagon” werd ik samen met vijf andere meisjes getransporteerd naar Duitsland. Het was een helse rit die vier dagen en vier nachten duurde. Vol luizen kwamen we op onze bestemming aan.’ ‘We sliepen met zeven op een kamer. Ik herinner me nog goed de tranen van verdriet én van geluk. Hoe hard ook, we hadden ook veel plezier met z’n allen op één kamer. Ik werkte vaak ‘s nachts in een fabriek waar ze onderdelen maakten voor onderzeeërs. Als jong meisje kwam ik in een compleet andere wereld terecht. Ik had op dat moment nog niets van de wereld gezien. Dat wie in Duitsland zou werken, rijk terug naar huis zou komen, bleek een fabeltje. We werden betaald met eetbonnen. Dus toen we terug thuis kwamen, hadden we niets. Om te overleven, ben ik met mijn man bij mijn schoonouders ingetrokken tot we in 1951 zelf een huisje kochten. Het was een hard leven.’

'Ik zeg altijd: “Wees tevreden met wat je hebt. Dat is de kunst."

Wat typeert jou het meeste?
‘Ik sta voor iedereen klaar. “Neen” zeggen, dat kan ik niet. En dat wist mijn man maar al te goed. Zo heb ik tijdens de oorlog twee brieven naar België gesmokkeld. We stonden in een lange rij en werden gefouilleerd voordat we op de trein mochten stappen die naar België zou rijden. Mijn man bleef aandringen en bleef mij maar vragen: “Heb je echt niets meegenomen dat ze niet mogen vinden?”... Net voordat het bijna aan ons was, heb ik toegegeven. Uiteraard was Georges in alle staten toen ik vertelde dat ik twee brieven van kamergenoten op zak had voor hun familieleden in België. Gelukkig heeft hij die brieven net op tijd onder het karton van zijn valies kunnen verstoppen. Hadden ze die brieven gevonden, dan zouden ze hem naar een concentratiekamp hebben gebracht. Daar heb ik uit geleerd. Dergelijke risico’s heb ik later nooit meer genomen. Hoewel? Toen we een keer op “verlof” waren in België zijn we ondergedoken. De rest van de oorlogsjaren gingen we van het ene adres naar het andere. Het was een zware tijd. Maar het ergste was die nacht dat mijn man zich in de beek verstopt had, met het water tot aan zijn lippen. Verschillende mannen zijn toen opgepakt, maar Georges is kunnen ontsnappen. Ik kan er een boek over schrijven.’

Marie als kostwinner
‘Na de oorlog kreeg mijn man mentale problemen waardoor hij niet kon gaan werken. Als enige kostwinner heb ik mijn leven lang hard gewerkt, eerst in een breifabriek, daarna als poetsvrouw en tenslotte in een witloofkwekerij. Op de dag dat hij tachtig werd, is hij gestorven. Hij lag al een tijdje in het ziekenhuis. Datzelfde jaar zijn ook mijn broers gestorven. Ik herinner me nog goed dat mijn huisdokter tegen me zei: “Marie, je hebt zoveel meegemaakt, probeer nu nog wat van het leven te genieten.” En dat heb ik gedaan..., nadat hij me geholpen heeft met mijn aanvraag voor een sociale woning.’

Marie's sociale woning in de Wijgmaalse Vaartdijk

17 jaar in een sociale woning
Marie was 84 jaar toen ze in haar sociale woning van Dijledal op de Wijgmaalse Vaartdijk introk. ‘Iedereen is daar ongeveer op hetzelfde moment komen wonen en dat schiep een band. De meeste huurders waren gepensioneerd. Het “huisje” had zowel een toegang langs de straatkant als via het terras. We hadden zicht op een groene weide. Het contact met de buren was fantastisch. In de zomer zaten we alle namiddagen samen. ''Begin dit jaar heb ik een aanvraag gedaan voor het rusthuis en kort daarna mocht ik al komen. Ik heb alles achtergelaten, mijn meubels, zelfs mijn handdoeken en daar heb ik nu wel een beetje spijt van.’

Sociaal contact
Mia, een buurvrouw van Marie uit de sociale woonwijk, komt haar elke zondagnamiddag bezoeken. ‘Ze komt me elke week opzoeken in het “gesticht” – zo noemt Marie het rusthuis. Ook de andere buren komen af en toe langs. ‘Zowel mijn broers als mijn schoonfamilie zijn intussen overleden. Enkel met Felix (67 jaar en gepensioneerd), de zoon van mijn jongste broer, heb ik nog contact. Hij zegt altijd «tante» tegen mij. Hij ontfermt zich over mij. Zonder hem zou ik niet weten hoe ik verder moest. Al van jongs af aan hadden we een goede band. Het is te hopen dat hij nog lang mag leven. Er was geen beter mens dan mijn moeder en daar heeft Felix veel van weg. Mijn moeder had 23 (!) broers en zussen. Zij was de oudste. Mijn vader stierf op jonge leeftijd. ’

Marie was 84 toen ze in haar sociale woning introk. 'Daar heb ik nog wat van het leven kunnen genieten'

Mooiste herinnering
‘Ik heb veel miserie gehad, heb altijd hard moeten werken. De mooiste periode uit mijn leven was toen ik als gepensioneerde in mijn sociale woning woonde. Daar heb ik nog wat van het leven kunnen genieten. Op het einde woonden er heel wat mensen met verschillende nationaliteiten, daar had ik minder binding mee.’

Heb je angst om te sterven?
‘Deze week zijn er in het rusthuis nog twee personen gestorven. Dat went niet. Het ene moment zitten ze nog bij jou aan tafel en het volgende moment zijn ze overleden.‘ ‘Ik heb geluk dat ik nog zo goed “te been” ben. Al merk ik wel dat ik achteruit ga, zelfs op de paar maanden dat ik hier ben. Dan denk ik soms: “Ben ik al zo oud?” Ik kan het niet geloven dat ik meer dan honderd ben. Ik probeer aan alle activiteiten deel te nemen. Op maandag volg ik breiles, dinsdag “gimmenas” (turnles). Wat ik het meeste mis? Als je alleen bent, kan je niets missen. Je moet je plan trekken.’ Heb je een wijze raad? ‘Ik zeg altijd: “Wees tevreden met wat je hebt.” Dat is de kunst. Ik zou mijn leven niet willen overdoen, maar ik ben altijd tevreden geweest. Ik was het enige meisje in het gezin, maar ik kon mijn mannetje staan. Ik was een felle. Ik ging graag uit, ging dansen en ik was altijd de laatste thuis. Ik kan niet geloven dat het allemaal zo lang geleden is.’

Haar buren uit de sociale woonwijk komen nog regelmatig op bezoek