Om de gebruikerservaring van deze site te verbeteren gebruikt deze website cookies. Ik ga akkoord Ik ga niet akkoord
Roots

Voormalig topzwemmer Fred Deburghgraeve kijkt terug naar zijn jeugdjaren in de sociale woonwijk

 

Japan maakt zich klaar voor de Olympische Zomerspelen in Tokio. Wist je dat topzwemmer en voormalig olympisch goud winnaar Fred Deburghgraeve opgroeide in een sociale woning? VVH ging enkele jaren geleden bij hem langs: “Mijn thuis was veel groter dan dat ene huis. Mijn thuis was de hele wijk.”

Iedereen kent hem als “Fredje”, onze Belgische topzwemmer met het kaalgeschoren hoofd. Op de Olympische Spelen in Atlanta in 1996 brak hij het wereldrecord op de 100 meter schoolslag en won hij in de finale Olympisch goud op hetzelfde nummer. Hij kreeg drie maal de trofee “Sportman van het jaar” en werd uitgekozen tot “Sportfiguur van de jaren ’90”. Dertien jaar na zijn professionele zwemcarrière zocht Fundamenten Fred Deburghgraeve (40) op in Roeselare.

Fredje 23 jaar -  Fredje 40 jaar

Ik ben heel selectief in het geven van interviews’, geeft Deburghgraeve toe. ‘Vroeger probeerde ik om iedereen te plezieren en als het over de sport gaat, dan interesseert me dat niet meer. Over waar ik als kind gewoond heb, daar wil ik wél graag mijn verhaal over doen, dat is eens een andere invalshoek.

“Mijn thuis was veel groter dan dat ene huis. Mijn thuis was de hele wijk”

Ik ben opgegroeid in tuinwijk de Meiboom in Roeselare. Mijn ouders zijn daar in 1980 komen wonen. Ik was toen zeven jaar. Ik ben de oudste van vier en heb twee broers en een zus. Omdat hun woning gerenoveerd werd en eigenlijk intussen ook te groot geworden was, zijn mijn ouders in 2011 verhuisd naar een sociaal appartement van sociale huisvestingsmaatschappij De Mandel in Roeselare. Ik heb nog heel jonge en vlotte ouders. Mijn ma is 62 en mijn pa 63. Met vier kinderen en dan nog wel vier “gasten” zoals wij, blijf je jong, wees maar gerust, nog altijd (lacht). Het was met momenten wel hevig.’

Tuinwijk De Meiboom in Roeselare

Hoe heb je als kind wonen in een sociale woning ervaren?
‘Het was een heel toffe woonomgeving, net buiten de stadsrand, maar toch ook vlakbij het centrum. We gingen naar school in een heel klein schooltje, pal in het midden van de wijk. naast ons huis lag een heel groot speelterrein met een voetbalveld. We hebben uren, dagen en hele vakanties gesleten op dat plein. In de vakantie was er speelpleinwerking.’

Wat zijn je mooiste herinneringen aan wonen in de wijk? Voelde je je daar als een vis in het water? ‘Al mijn vrienden woonden vlakbij. We hadden veel ruimte om vrijuit te ravotten en te voetballen zonder dat de politie gebeld werd, omdat we te veel lawaai maakten. We zijn nog onbezonnen opgegroeid. Een paar straten verder lag een tweede plein, ook een paar hectaren groot. Daar klommen we in de kastanjebomen en als het tijd was om naar huis te komen, dan floot mijn vader hard op zijn vingers.

"Ik ben de grootste van de vier. Links van mij staat Steven, rechts Bjorn
en Sieglinde zit op de arm van mijn vader. 

Dat is nu toch wel anders. Als je kinderen nu buiten gaan, dan vraag je je toch meer af wat ze aan het doen zijn. Ik heb zelf twee kinderen, ik weet wat het is. Mijn dochter Merel is 12 en mijn zoon Bartel is 14.’

Is er nog iets veranderd?
‘Het verkeer is toegenomen, met heel wat sluipverkeer door de woonwijk. En waar vroeger de kastanjebomen stonden, zijn ze nu een groot appartementsblok aan het bouwen. Jammer. Maar ook het echt  sociale aspect gaat beetje bij beetje verloren. Het wordt allemaal onpersoonlijker. nu wil iedereen op zijn eigen eiland gaan wonen. In de straat waar mijn grootmoeder woonde, de Dennenstraat, op 50 meter van ons huis, zaten de buren ‘s avonds op straat. Hoewel iedereen een tuin had, dronken ze samen een pintje en er werd over van alles gepraat. Die toevallige contacten, je buren die je  toevallig tegenkomt als je de hond uitlaat, dat zijn voor mij de échte sociale contacten. net zoals vroeger toen wij gingen spelen. Dan kwamen we altijd wel iemand tegen die we kenden. uiteraard haalden we ook veel kattenkwaad uit zoals bommetjes in de brievenbussen stoppen (lacht). We waren gekend in de wijk, maar het was plezant en iedereen kende iedereen.’

"Mijn zus woont nog steeds in de wijk"

Wat vind je van de stelling: wonen is iets wat er echt toe doet, dat bepaalt je goed voelen?
‘Het is je thuis. Het is de plaats waar je na een zware werkdag tot jezelf kan komen, maar ook meer dan dat. Het is die plek waar je na twee weken vakantie terug naar verlangt. Het is meer dan vier muren met wat papier eraan en enkele foto’s. Je moet je er wel goed voelen. ’

En wat bepaalde dat “goed voelen” vroeger, wat maakte jouw huis tot een thuis?
‘Het warme nest. Het waren best wel grote huizen, twee verdiepingen met een grote zolder daar bovenop. We hebben ons daar altijd heel goed geamuseerd, omdat onze “thuis” zoveel groter was dan enkel dat ene huis. Onze thuis was de hele wijk. Als je mensen in een kooitje zet, dan breken ze de boel af, maar bij ons konden ze de kooi openzetten en konden we uitvliegen. We konden onze energie kwijt in de omgeving zonder dat er risico’s aan verbonden waren. Er was op het plein ook een “ramp” waar we vaak gingen skaten. Die staat er trouwens nog altijd.’

“Die toevallige contacten, dat is voor mij écht sociaal contact”

Kom je nog vaak in de wijk?
‘Toen mijn ouders verhuisd zijn naar hun appartement ben ik een tijdje niet meer in de wijk geweest. Maar nu mijn zus daar opnieuw een huis gekocht heeft, zal ik daar terug vaker komen. Ze heeft die woning privé gekocht. Het speelplein waar we als kind speelden, is er nog steeds, ook de speelpleinwerking.’

Lag het zwembad in de wijk?
‘Het zwembad lag vlakbij, zo’n vijfhonderd meter buiten de wijk. Mijn pa speelde er waterpolo. Ik heb heel jong leren zwemmen en ben daarna in de zwemclub gegaan. Het zwembad was onze tweede thuis. We zaten daar van ’s morgens tot ’s avonds, zeker toen mijn pa daar ook redder was. Mijn ma baat trouwens nog altijd de cafetaria van het zwembad uit.’

Fred met zijn dochtertje Merel voor het zwembad van Roeselare

Wat heb je naast talent nog nodig om de top te bereiken?
(lacht) ‘Ik ben een slechte verliezer. Ik kan eigenlijk niet verliezen. Als je niet kan verliezen, dan kan je maar één ding doen, dat is proberen zoveel mogelijk te winnen want anders heb je geen goed gevoel. Maar er komt ook veel geluk bij kijken. Je moet de juiste sport kiezen. De mensen zagen dat ik talent had.’ ‘Alles wat ik doe, wil ik “goed doen”. Ik ben heel ambitieus. Een mooi voorbeeld is van toen ik een jaar of vijf was en mijn broertje vier. Omdat we bijna even oud waren, gaf ons ma ons vaak dezelfde schoenen. Maar ook al waren die schoenen identiek, toch zei IK altijd tegen mijn broertje: “Mijn schoenen lopen toch net iets sneller dan die van jou...” Het zat er al van kleins af aan in hé.’

Welke kracht kan de sociale huurder putten uit jouw succes?
‘Het is niet zo dat ik sterker ben geworden doordat ik zaken gemist heb in mijn jeugd. We hebben van onze ouders evenveel kansen gekregen als andere kinderen. We konden wel geen verre reizen maken. Dat was een luxe die wij ons niet konden permitteren. Maar het is veel belangrijker dat je je thuis voelt waar je woont en daar hebben we niks gemist. Wat ik wel geleerd heb, is dat je niks voor niks krijgt. En dat is iets wat ik soms mis bij mijn eigen kinderen. Je moet daar eerlijk in zijn: ze vinden soms de dingen teveel vanzelfsprekend.’
 

“Leer de mensen in uw omgeving kennen”

Je bent van Roeselare naar Poelkapelle verhuisd. Hoe ben je daar terecht gekomen? Ben je honkvast?
‘Voor de kostprijs en de rust ben ik uitgeweken naar Poelkapelle, zo’n 15 km van Roeselare. Ik woon ook in een woonwijk. Maar je kan dat niet vergelijken met vroeger. Ik ken er de mensen “van ziens”, maar ik weet niet meer wie ze zijn. Ik ben voor de Poelkapellenaars altijd een Roeselarenaar gebleven. Dat is de mentaliteit daar. Ik zie mij ook niet oud worden in Poelkapelle. De grootste fout die we in ons leven gemaakt hebben, is dat we toen geen boerderij hebben gekocht. nu zijn boerderijen niet meer betaalbaar en dat is spijtig. Dat is net hetzelfde verhaal als met de sociale woonwijken. Je kan een sociale woonwijk uit de jaren 80 en 90 niet meer vergelijken met wat een woonwijk nu is. De tijdsgeest heeft mensen wel erg veranderd. Sociaal contact betekent nu vaak voor veel mensen “uw profiel aanpassen op Facebook”. Je mag nog zo veel sociale mensen samenbrengen in een woonwijk, de mensen komen niet meer zo vaak buiten als vroeger.’

Hoe zouden we dat kunnen verhelpen?
‘Leer de mensen in uw omgeving kennen. Als nu iemand sociaal geëngageerd is, dan verwachten mensen dat je in de schoolraad zit en dat je lid wordt van een aantal verenigingen terwijl dat vroeger niet nodig was. In Poelkapelle heb ik nog nooit meegemaakt dat we met de buren buiten stonden of dat iedereen buiten zat. Er zijn zelfs geen wijkfeesten meer. Dat was plezant vroeger. Toen stond er in de wijk een gigantisch grote tent en was er zoveel te doen. Dat mis ik wel, maar kan je dat nu nog creëren?’

Kan sport daar een rol in spelen?
‘Voldoende groen is belangrijk om mensen een goed gevoel te geven in een woonwijk. Het hoeven niet de grootste of de nieuwste huizen te zijn. Als je maar even kan buitenkomen, zonder dat je je opgesloten voelt. Daarom vind ik het zo jammer dat er op dat mooie plein nu zo’n gigantische blok staat.’

Waar droom je nog van 13 jaar na je zwemcarrière? Wat maakt je gelukkig?
‘Ik ben tevreden met wat ik heb. In mijn vrije tijd sleutel ik graag aan mijn motor. Ook houd ik ervan om in de zomer in mijn moestuin te werken (lacht). Ik doe graag iets waar ik achteraf wat voor terugkrijg. Dat is ook zo in mijn job. Sinds 2000, na mijn zwemcarrière, heb ik altijd in de verkoop gewerkt. nu werk ik als vertegenwoordiger in een visueel communicatiebedrijf dat onder andere de belettering van winkels doet. Ik ben de vlinder. Ik rijd rond om op te meten of nieuwe klanten te zoeken. Ik doe dat graag en als je een creatieve doe-het-zelver bent dan zie je ook snel oplossingen voor mensen en dat is belangrijk.’ ‘In de vakantie gaan we met de caravan op reis. Ik hoef geen reizen in de meest chique resorts. Zolang het rustig is en als we ’s morgens de deur opentrekken en zien dat de “gasten” zich amuseren, dan is dat voor ons voldoende. Dat is eigenlijk een beetje sociaal op reis gaan hé (lacht).