Om de gebruikerservaring van deze site te verbeteren gebruikt deze website cookies. Ik ga akkoord Ik ga niet akkoord
Standpunt

tekst: Björn Mallants en foto: Els Matthysen

We passen voor een rol van lijdend voorwerp in het traject naar de woonmaatschappij

 

in dit arikel neemt Björn Mallants, directeur bij VVH, de implementatie van de woonmaatschappij kritisch onder de loep: "de sector sociaal wonen is geen lijdend, maar leidend voorwerp in dit verhaal." Het artikel verscheen ook in de nieuwe editie van Fundamenten.

Meer en meer lijkt de regie over de woonmaatschappij buiten de sector te vallen. De sector moet en zal de leiding nemen in dit verhaal. Laten we samen aan de slag gaan, of het kan weleens een slag teveel zijn.

Een aantal edities geleden hebben we hier gepleit om voldoende tijd te nemen om de voorziene wijzigingen aan de werking zoals voorzien in het Vlaams regeerakkoord te implementeren. Haast en spoed is zelden goed, heet dat dan. Tot onze verbazing is het antwoord van de Vlaamse Regering om de puzzel nog moeilijker te maken… door plots ook de publieke regioafbakening in de oefening te gooien. Niet enkel staan we voor tal van complexe en delicate processen, maar nu komt hier nog eens een logica van een ander beleidsveld in het spel. Een spel waar onze sector ook meer en meer lijdend voorwerp lijkt te worden. Terwijl het evident is dat we in dit traject leidend voorwerp horen te zijn.

Memorandum 2014: op weg naar een brede sociale woonmaatschappij
In 2014 noemden we ons memorandum voor de Vlaamse verkiezingen “Bouwen aan morgen”. Op weg naar een brede sociale woonmaatschappij. Het uitgangspunt was dat onze sector de motor moet zijn van gelaagde sociale projecten, en dit samen met tal van publieke en private actoren. We kozen voor wonen in plaats van huisvesting, omdat dit de bewoners centraal stelt. Niet enkel huizen aanbieden, maar mensen een thuis laten opbouwen. En wonen dat doe je ook in een buurt, waar de kinderen naar school gaan, hobby’s hebben, waar je naar de dokter en de bakker gaat… Waar je zelf meebouwt aan een sterke samenleving, op tal van manieren. Samen met al je buren. Vandaar ook de brede invulling van de sociale woonmaatschappij. Een dergelijk project kan enkel als het opborrelt vanuit het veld. Zowel vanuit de bewoners, maar ook vanuit de sector en andere betrokken actoren. Natuurlijk zijn een aantal uitgangspunten belangrijk om dit enigszins te stroomlijnen. Maar eenheidsworst smaakt flets.

'Wat ons vooral frappeert is het gebrek aan onderbouw waarom dit traject moet vormkrijgen. Een wervend verhaal is nergens te bespeuren.'

Het regeerakkoord 2019-2024: ingrijpende wijzigingen voor de sector
In het regeerakkoord 2019-2024 werd de term «woonmaatschappij» opgenomen. En er werden een aantal uitgangspunten aangebracht:

  • De woonmaatschappij zal verschillende activiteiten in sociaal wonen clusteren – denk vooral aan de huidige SVK- en SHM-werking;
  • Er mag maximaal één woonmaatschappij actief zijn per werkingsgebied;
  • De publieke aansturing wordt vanuit de lokale besturen versterkt.

Je kan veel bedenkingen uiten over al deze elementen. Dat hebben we het afgelopen jaar ook meermaals gedaan. Ook over de wel zeer scherpe timing gaan de wenkbrauwen omhoog, zoals ook aangekaart in het voorjaar in Fundamenten.

Recent werd hier echter een laag aan toegevoegd: «de regiovorming». Een traject dat loopt vanuit het Vlaamse beleidsveld binnenlands bestuur. Plots moet de sowieso al heel complexe operatie van de evolutie naar de woonmaatschappij ook nog eens geënt worden op die regiovorming. Onze sector lijkt in deze vooral een lijdend voorwerp te worden van een operatie die voortvloeit uit publieke regioafbakening, terwijl onze leden private vennootschappen zijn die voor het lokale en regionale bestuur een taak uitoefenen, maar van de publieke sector geen deel uitmaken. Natuurlijk zijn de lokale besturen vaak wel de belangrijkste aandeelhouders en is het streven naar afstemming met regioafbakening in andere sectoren een logisch uitgangspunt. De situatie op het terrein in onze sector is echter ook een gegeven, en ook daaruit moeten criteria gedistilleerd worden om de werkingsgebieden uit te werken. }

Sector sociaal wonen: geen lijdend, maar leidend voorwerp in dit verhaal
De vertaling van het regeerakkoord die een aantal weken geleden werd doorgestuurd, veroorzaakt dan ook veel deining in de sector. Door de praktische vertaling die het plots wel heel concreet maakt, maar ook door dat nieuwe gegeven van regioafbakening. Vooral het gebrek aan een onderbouwing en de nogal ondoordachte verspreiding onder iedereen die ingeschreven is op de nieuwsbrief van de VMSW doen de wenkbrauwen fronsen. We hebben deze boodschap ook zo doorgegeven aan de administratie. Intussen zijn zowel regionaal als door onze koepel van SHM’s (VVH) initiatieven genomen om met onze leden samen te zitten. We willen benadrukken dat ook met de koepelorganisatie van de SVK’s (HUURpunt) intens wordt overlegd. De informatie die momenteel vanuit het beleid gedeeld werd, lijkt vooral een detaillistisch handboek van hoe het traject naar de woonmaatschappij organisatorisch vormgegeven moet worden – met een aantal toch wel volgens ons wankele aannames, maar dat zal de toekomst moeten uitwijzen.

Waar is het wervend verhaal?
Een wervend verhaal is nergens te bespeuren, het gebrek aan onderbouwing zoals gezegd. Aandacht voor onze eindgebruikers (huurders en kandidaat-huurders) ook niet. Aandacht voor onze medewerkers ook niet. Er wordt gesteld dat de huurders en kandidaat-huurders de reden zijn voor dit verhaal, maar daar stopt het dan ook. Idem voor perspectief naar onze medewerkers. Maar zoals gezegd, worden ook onze leden in dit traject blijkbaar beschouwd als louter «entiteiten» die de «herverdeling» van de werkingsgebieden moeten ondergaan. Die zullen binnen die regioafbakening moeten vallen. Dit negeert onze autonomie, honderd jaar geschiedenis, maar ook tal van praktische bezwaren. Bovendien wordt deze ingrijpende herschikking van werkingsgebieden nergens vermeld in het Vlaams regeerakkoord! We passen dan ook voor dit dwingende keurslijf. Dit ondergraaft ook volledig de oefening van onderuit zoals ze zou moeten gebeuren. De regioafbakening kan een van de criteria zijn, indicatief. Maar met tal van andere elementen moet ook rekening gehouden worden. Criteria die samen met alle betrokkenen moeten uitgewerkt worden, zowel het kader op Vlaams niveau als de vertaling op lokaal niveau. In de recente communicatie waar we naar verwezen, wordt naast de uitvoerige aandacht voor de «overdracht» van patrimonium – met een overigens weinig realistisch tijdspad, dus vooral de organisatorische afhandeling van de afbakening van de werkingsgebieden beschreven. Met andere woorden: er wordt veel aandacht besteed aan operationele elementen over hoe die woonmaatschappij gaat «gevormd» worden, vaak op basis van theoretische beschouwingen. Andere zaken laat men open.

De woonmaatschappij bouwen we op van onderuit, niet met een dictaat van lokaal of regionaal bestuur
Over wat achter die woonmaatschappij zit, hoe we die van onderuit kunnen opbouwen, samen met de vele duizenden geëngageerde medewerkers en bestuurders, blijft het stil. Normaal bepaal je een doel (een missie en een visie), samen met alle stakeholders en vertrek je van daaruit om de gepaste structuur op poten te zetten. Nu lijkt het alsof er enkel gemorreld wordt aan structuren. Waar dit in het belang van huurders en kandidaathuurders is, lijkt toch wel een goed bewaard geheim.

  • Hoe garandeert men het recht op wonen en het aanbieden van betaalbare en kwalitatieve huisvesting, ook voor specifieke doelgroepen?
  • Hoe ziet men een groeipad voor sociale huisvesting?
  • Hoe moeten onze medewerkers en bestuurders vanuit deze communicatie overtuigd worden om mee te stappen in een wervend verhaal?

We willen duidelijk aangeven dat we bereid zijn om mee onze schouders te zetten achter een sociale woonsector die nog beter de alsmaar groeiende behoefte bedient. Maar we zijn er wel van overtuigd dat dit enkel kan als er niet enkel over operationele zaken wordt nagedacht (en dan nog vooral vanuit het oogpunt van het Vlaams beleid en de lokale besturen, nauwelijks vanuit de betrokken actoren). We moeten dringend ook werk maken van wat die WOONMAATSCHAPPIJ is.  

  • Welk beeld willen we daarmee naar voor schuiven?
  • Wat is het DNA van die organisatie?

Dat kan alleen als onze sector mee aan het stuur zit van dit traject. En louter mee in de cockpit zitten als je op automatische piloot vliegt is geen optie.

Samen aan de slag, of het kan weleens de slag teveel zijn
We kunnen dit traject ook enkel vorm geven als we de input vanuit het veld vertalen. De bezorgdheden van onze medewerkers, bestuurders, huurders en kandidaat-huurders capteren. We passen voor een rol waar we lijdend voorwerp zijn, geprangd tussen Vlaams beleid en lokale besturen. We geven dit signaal ook uitdrukkelijk aan de bevoegde minister(s). We zijn er ook van overtuigd dat we dit samen met de collega’s van HUURpunt moeten voorbereiden, en zullen de nodige initiatieven ontwikkelen, bijvoorbeeld door gezamenlijke werkgroepen.

We gaan verder aan de slag, maar zullen in constructieve dialoog erover blijven waken dat in dit traject centraal staat wie centraal moet staan: onze huurders en kandidaat-huurders, onze medewerkers en bestuurders, onze sector.