Om de gebruikerservaring van deze site te verbeteren gebruikt deze website cookies. Ik ga akkoord Ik ga niet akkoord
Standpunt

‘Woonbonus tweede verblijf kost de overheid evenveel als financiering sociale huurwoning’

 

Op woensdag 10 juli verscheen er een interessant artikel in De Standaard en een opiniestuk in De Tijd met beide artikels als conclusie: De fiscale voordelen die een koper van een tweede woning krijgt, zijn qua ordegrootte vergelijkbaar met de bijdrage van de Vlaamse overheid aan de bouw van een sociale woning.

Een kwart van alle hypotheken wordt afgesloten voor een tweede woning, bleek deze week uit cijfers van BNP Paribas Fortis (DS 9 juli). Het fiscale voordeel is daarbij een belangrijke factor. De vaststelling ontlokte Björn Mallants, de directeur van de Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen, enkele kritische tweets.

Voor het belastingvoordeel dat wordt toegekend aan de ­kopers van een tweede verblijf, kan de overheid ook een sociale woning bouwen, rekent hij voor. Wie een lening afsluit voor een tweede woning, kan 1.520 euro per jaar inbrengen, waarvan 40 procent in mindering wordt gebracht op de belastingaanslag. Voor een echtpaar, dat het ­bedrag twee keer kan inbrengen, gaat het om 1.216 euro per jaar.

‘Dat is ongeveer wat een so­ciale woning de overheid kost’, zegt Mallants. Hij rekent voor: de constructie kost ongeveer 130.000 euro. Daarvan wordt 83 procent gedragen door de ­sociale huisvestingsmaatschappijen zelf. Vlaanderen betaalt het verschil: 22.900 euro plus de financieringskosten. De jaarlijkse afschrijving op basis van de looptijd van 33 jaar valt tegen de huidige rentetarieven waarschijnlijk zelfs lager uit dan 1.200 euro.

‘Wij investeren 800 miljoen euro per jaar, waarvan 100 tot 200 miljoen euro gefinancierd door de overheid. Maar de woonbonus is een fiscale uit­gave van 1,6 tot 1,7 miljard ­euro per jaar. Dan vraag ik me af: liggen de prioriteiten nog juist?’, zegt Mallants. Als de cijfers van BNP Paribas Fortis voor de hele markt gelden, kost het fiscale voordeel voor de aankoop van tweede verblijven de Vlaamse overheid dus zo’n 400 miljoen euro.

Mallants pleit ervoor dat fiscale voordelen zowel eigenaars als huurders in dezelfde mate ten goede komen, de zogenaamde eigendomsneutrale fiscaliteit. Nu is dat niet zo. Kopers profiteren van de woonbonus zonder dat daar inkomensvoorwaarden aan verbonden zijn, terwijl de sociale-huisvestingssector aan strakke regels is gebonden. Voor de huurders op de private woningmarkt zijn er zelfs nauwelijks fiscale voordelen. Terwijl de helft van die mensen eigenlijk in aanmerking komt voor een sociale woning, maar noodgedwongen op de wachtlijst staat.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de woonbonus vooral de prijs van woningen opdrijft. Het voordeel voor de koper blijft dus beperkt, terwijl er wel een grote kostprijs is voor de overheid. De woonbonus is vooral interessant voor verkopers en projectontwikkelaars.

Mallants pleit niet voor een radicale hervorming van de woonbonus, wel voor een heel geleidelijke aanpassing die het systeem iets evenwichtiger zou maken. Hij erkent ook dat het beleid wel in de goede richting gaat. Na de zesde staatshervorming heeft de Vlaamse overheid het voordeel van de woonbonus teruggeschroefd. Maar in één beweging werd de voorwaarde geschrapt dat het om de ‘enige’ woning moest gaan. Een aparte fiscale regeling voor tweede woningen werd zo in de woon­bonus geïntegreerd. Wel is de aftrek voor tweede woningen beperkter dan voor eerste ­woningen.

Conclusie: de fiscale voordelen die een koper van een tweede woning krijgt, zijn qua ordegrootte vergelijkbaar met de bijdrage van de Vlaamse overheid aan de bouw van een sociale woning.

Bekijk het artikel in De Standaard of lees het volledige artikel in De Tijd.